Tijdens de energiecrisis die volgde uit de oorlog in Oekraïne voelde iedereen al snel wat de nadelen waren van de Europese afhankelijkheid van Russisch gas. Iedereen? Toch niet, een kleine groep burgers had daar minder last van omdat ze aangesloten zijn bij een energiecoöperatie - en die leveren hun (hernieuwbare!) energie aan kostprijs. Nu slaan 34 van die energiecoöperaties de handen in elkaar om samen windturbines op zee te kopen. Hoe werkt dit model en wat mogen we ervan verwachten?
In het klassement voor groene stroom dat Greenpeace jaarlijks uitbrengt, bestaat de top drie uit energiecoöperaties met telkens een score van 20/20. Die score krijgen ze omdat de door hen geleverde stroom 100 % van hernieuwbare oorsprong is, en niet gemengd met bijvoorbeeld biomassa, laat staan met fossiele of nucleaire energie. Ze investeren ook alleen maar in hernieuwbare energie.
Behalve hernieuwbaar, is hun energie ook lokaal: vaak wekken ze hun energie op met eigen windmolens, of met zonnepanelen op het dak van een school, ziekenhuis of woonzorgcentrum. Die organisaties injecteren de elektriciteit die ze niet zelf gebruiken op het net om ze te leveren tot bij de klanten van de coöperatie. Met andere woorden: als je écht groene en lokale stroom wilt, ben je bij een energiecoöperatie aan het juiste adres.
In Vlaanderen/België zijn intussen al zo’n 135.000 huishoudens aangesloten bij een dergelijke coöperatie. Het bijzondere is dat je bij zo’n coöperatie eerst een aandeel moet kopen om klant te kunnen worden. En daardoor ben je niet alleen klant, maar ook mede-eigenaar. Weg zijn de tegenstellingen tussen de belangen van klanten en die van aandeelhouders, want het gaat om dezelfde mensen.
Bron: Triodos